vlag vlag

Friese bedrijfsmolens

De eek- en pelmolen bij Harlingen

Dreijer De eekmolen aan de Trekweg naar Franeker, net voor de grens tussen Barradeel en Franekeradeel, zal gezien de grondpacht rond 1701 zijn gebouwd1. Eerste eigenaar was waarschijnlijk de koopman Fedde Pijtters Dreijer (ovl. 1724), die in 1711 als zodanig werd genoemd2.

De handtekening van Fedde Pieters Dreijer (DTB inv.nr. 318, huwelijksproclamatie 30 maart 1709).

Hij was het ook die twee jaar later de “eek- en peldegarstmolen met de huizinge en schuire, sampt hunne plaats etc.” voor 5000 gulden verkocht aan de kooplieden Minne Thijssen (½) en Jarig Jacobs (½)3. De grondpacht bedroeg 21 gulden en werd betaald aan dominee Henricus Reneman (ca. 1670-1727) en zijn vrouw Amelia Tjeerds Suirger (Suringar), volgens contract van 17 november 1701. Uitgezonderd van de koop waren het paard, de “chaise” en de niet gebruikte twee nieuwe pelstenen. De beide kopers waren familie: Minne was getrouwd met Grietje Jarighs4 (1657-1713), de tante van Jarig (1672-1735). Die laatste stond later bekend als Jarich Jacobs van der Leij, vader van de eigenaar van de Harlinger oliemolen (zie verderop). Zij waren allen doopsgezind.

Na het overlijden van Minne verkochten de zoons Thijs (Leeuwarden) en Jarig Minnes de helft van de eek- en pelmolen aan hun neef Jarig Jacobs van der Leij voor 2125 gulden5. Naast de sinds 1701 verplichte grondpacht werd er in de omschrijving bij de verkoop nog een bijzonderheid genoemd. De koper was namelijk verplicht om voor de koopman Anne Jans Huidekooper te Harlingen jaarlijks duizend “tonnen of mudden runne” tegen normaal maalloon te leveren.

Jarig was nu eigenaar van de gehele molen, maar zal allengs het bedrijf meer overgelaten hebben aan zijn zoon Jacob Jarigs van der Leij (1701-ca. 1755). Die was het ook die de molen in 1733 verkocht. Het complex omvatte toen, naast de molen met twee paar pelstenen en twee paar eekstenen, ook drie schuren en twee woningen met een zomerhuis. De grondpacht bedroeg inmiddels 35 gulden, te betalen aan Amelia Zuiringar weduwe Henricus Renema. De nieuwe eigenaars werden Ruard Scheltinga (½), getrouwd met Antje Nieuwenhuis en vader van de latere eigenaar van de Blauwe molen (zie aldaar), en Everhardus Nieuwenhuis (½) en zij betaalden er 4500 gulden voor6. Deze zwagers zagen hun “grote eekmolen” echter in het najaar van 1739 jammerlijk verbranden, wat tot ver in de omtrek te zien was7.

Er kwam hier geen nieuwe molen meer te staan, maar de plek aan de Trekweg stond nog heel lang daarna bekend als “de verbrande molen”.

eekmolen

De plaats van de eekmolen aan de Trekweg op de kadastrale kaart (1827), met rechts daarvan de huizen die wel als “verbrande molen” werden aangeduid. De grens van Barradeel ligt bij de lijn geheel rechts.

Verwijzingen
  1. De eekmolenaar zal Ruyrd Cornelis zijn geweest (NgBar inv.nr. 90 fol. 231vo., trouwbelofte als “mr. eeckmolenaer onder Almenum” op 12 juni 1700, dus eerder).
  2. GBF inv.nr. 3729, op no. 216 onder Almenum.
  3. NgBar inv.nr. 92 fol. 53, eerste proclamatie 25 januari 1713.
  4. DTB inv.nr. 317, huwelijk 21 augustus 1680.
  5. NgBar inv.nr. 93 fol. 101vo., koopbrief 12 mei 1727.
  6. NgBar inv.nr. 93 fol. 279, koopbrief 25 maart
  7. P.L.G. van der Meer, Opkomst en ûndergong fan in boerebedriuw ûnder Achlum. De famylje Hibma, 1697-1824, Leeuwarden 2001, p. 141.